De dictatuur van de Westersingel

Westersingel 101 in 2026
Het voormalige hoofdkwartier van De Metaalbond Rotterdam

De dictatuur van de Westersingel. Dat was de schimpnaam voor de houding van de Rotterdamse directies van grote scheepswerven, zoals Wilton-Fijenoord en de Rotterdamsche Droogdok-Maatschappij (RDM). Die scheepswerven hadden zich verenigd in de afdeling Rotterdam van De Metaalbond, werkgeversvakbond in de metaalnijverheid. Het kantoor van die afdeling was gevestigd op de Westersingel, nummer 101.

De lekker in het gehoor liggende scheldnaam was in de jaren zestig gemunt door de tegenvoeters van de scheepswerfdirecties, de vakbondsbestuurders van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond, district Rotterdam. Deze ervoeren, tijdens overleggen in het werkgeverskantoor op de Westersingel, dat de werfdirecties zich als een gesloten blok opstelden. De directies hadden onderling afgesproken wat zij bereid waren te geven, en weken daar geen millimeter van af. Sterker nog, als een vakbondsbestuurder naar een individuele scheepswerf toog, zoals de werf Gusto in Schiedam, trof hij daar naast de werfdirectie ook een bestuurslid van De Metaalbond aan. Die was daar formeel om de directie te ondersteunen, maar feitelijk ook om te zorgen dat die in het gareel van de werkgeversvereniging bleef. Herman Bode, in latere jaren de eerste vice-voorzitter van vakcentrale FNV, was in de jaren zestig vakbondsbestuurder in Rotterdam. Hij kwam in die tijd, vertelt hij ‘nauwelijks toe aan gesprekken over de specifieke problemen binnen de verschillende ondernemingen’. En dat kwam ‘door het feit dat we in Rotterdam niet zozeer met individuele werkgevers aan tafel zaten, als wel met vertegenwoordigers van de Metaalbond Rotterdam, waarin de grote scheepswerven een overheersende rol speelden’. 
Een andere uiting van het vermeende dictatoriale gedrag van de werfdirecties was het bestaan van een geraffineerd kaartensysteem, waarin de antecedenten van alle werklieden waren opgenomen.

Als een werkman bij een scheepswerf solliciteerde was een simpel telefoontje naar de Westersingel genoeg om te weten welk vlees men in de kuip had. De werkman kreeg zonder meer nul op het request als zijn naam voorkwam op de ‘zwarte lijst’; een opsomming van werklieden die nooit meer bij een lid van De Metaalbond in dienst zou worden genomen.

Tot ergernis van de werfdirecties werd de term ‘dictatuur van de Westersingel’ overgenomen door anderen, zelfs door hun eigen bentgenoten. Het bestuur van de landelijke Metaalbond refereerde er in 1965 aan door fijntjes op te merken dat de werven door hun steile houding een grote staking in dat jaar over zichzelf hadden afgeroepen. Volstrekt onjuist, oordeelde de afdeling Rotterdam. Maar in 1971 liet haar secretaris in NRC Handelsblad optekenen dat hij blij was dat ‘de dictatuur doorbroken was’.

De sociale antagonisten in de Rotterdamse scheepsbouw

De voorloopster van de Rotterdamse Metaalbond, de Scheepsbouwmeesters- en Machinefabrikantenvereeniging te Rotterdam e.o. was opgericht in 1907. Dat was een bijzondere gebeurtenis, omdat de werfdirecties normaal gesproken elkaar het licht in de ogen niet gunden en elkaars aanwezigheid maar nauwelijks verdroegen. Maar zij zetten hun tegengestelde ‘economische belangen’ opzij om een groter extern gevaar gezamenlijk het hoofd te bieden: de vakorganisatie. Dat was de eerder genoemde afdeling Rotterdam van de Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkersbond, opgericht in 1886. Het is achteraf moeilijk te begrijpen dat de scheepsbouwmeesters daar zo beducht voor waren; het was slechts een kleine vereniging met enkele honderden leden. Het pleit dan ook voor het strategisch inzicht van de werfdirecties dat zij zo vroeg de potentiële invloed van die vereniging inzagen. De vakorganisatie kreeg rond de eerste wereldoorlog de wind in de zeilen, maar de in De Metaalbond georganiseerde werkgevers bleken taaie tegenstanders, met name dankzij hun hoge organisatiegraad.

Gezworen vijanden, maar veroordeeld tot partnerschap 

De werkgeversorganisatie en de vakorganisatie vochten een aantal keren een hevige strijd uit, tot het besef aan weerskanten indaalde dat de verliezen daarbij vaak hoger waren dan de winst. Een aarzelend overleg kwam vanaf het midden van de jaren twintig op gang, bedoeld om de verhoudingen te pacificeren. Maar het zou tot de jaren zestig duren voordat van gelijkwaardig overleg kon worden gesproken-dictaturen hebben een taai leven en worden niet eenvoudig doorbroken.

De relevantie van het industriële tijdperk voor de 21e eeuw

De periode tussen ± 1890 en ± 1985 kan het industriële tijdperk genoemd worden, waarin grootschalige, fabrieksmatige productie in ondernemingen waar duizenden handarbeiders in loondienst werkten de norm waren. In het industriële tijdperk waren vraagstukken op het gebied van arbeidsbescherming, arbeidswetgeving en sociale zekerheid belangrijke kwesties. Veel organisaties, instituties en normen die in de huidige tijd normaal worden gevonden, vonden in dit tijdperk hun oorsprong. Denk aan de wettelijk geregelde arbeidsovereenkomst, de collectieve arbeidsovereenkomst, de regelingen op het gebied van ouderdomspensioenen, het wettelijk recht op uitkeringen bij ziekte en werkloosheid. Maar ook aan instituten als de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-Economische Raad (SER). De werknemer emancipeerde in dit tijdperk van productiefactor die met de pet in de hand bedelde bij een werkgever, tot een zelfbewuste economische staatsburger.

Natuurlijk leverden meerdere actoren hun bijdrage aan dit emancipatieproces, maar de hoofdrolspelers waren de werkgeversverenigingen en de vakbonden, die gezamenlijk aan de wieg stonden van de cao, van de verzekeringen bij ziekte en werkloosheid, en van de pensioenfondsen en de opleidingsfondsen.

Mijn verhaal

Over de antagonisten in de Rotterdamse scheepsbouw gedurende het industriële tijdperk gaat het verhaal dat ik nu aan het schrijven ben. Als voorproefje vast een aantal artikelen die ik geschreven heb voor Ons Rotterdam en voor de Heijplaat Post.  U hoort er spoedig meer over.