De dictatuur van de Westersingel
Een cadeau met gevolgen
Van Herman Bode, de eerste vice-voorzitter van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), kreeg ik in 1991 een gesigneerd exemplaar van zijn biografie, Herman Bode. Vakbondsman. Een verzameling zeldzame inkijkjes in het dagelijkse leven van een vakbondsmedewerker. Bode beschrijft daarin, onder veel meer, dat hij in de jaren zestig regionaal vakbondsbestuurder was in Rotterdam. En wel voor de toenmalige rooms-katholieke vakbond voor metaalarbeiders St. Eloy. In die functie kwam hij geregeld bij de directies van de Rotterdamse scheepswerven over de vloer. Het behoorde (en behoort) nu eenmaal tot het gewone werk van vakbondsbestuurders om te overleggen met de werkgevers van hun leden. Dit om te proberen in overleg problemen op te lossen of tot verbeteringen te komen. Bode vertelt ons dat juist dàt hem iedere keer bij de Rotterdamse werfdirecties weer moeite kostte. Hij kwam ‘nauwelijks toe aan gespreken over de specifieke problemen binnen de verschillende ondernemingen’, zoals de werksituatie in het bedrijf of de knelpunten en vraagstukken van de werknemers. ‘Het was iedere keer weer een gevecht’. En die situatie werd nog verder ‘bemoeilijkt door het feit dat we in Rotterdam niet zozeer met individuele ondernemers aan tafel zaten, als wel met vertegenwoordigers van de Metaalbond Rotterdam, waarin de grote scheepswerven een overheersende rol speelden. (…) We probeerden er doorheen te komen, maar met name de RDM was in dat opzicht een bastion waar je niet doorheen brak’.
Mijn nieuwgierigheid was gewekt. Wat was die Rotterdamse Metaalbond voor een organisatie? Hoe kon die zo overheersend zijn? Dat de RDM (Rotterdamsche Droogdok-Maatschappij) een scheepswerf was wist ik, maar op welke manier was die kennelijk de ergste van het stel?
De Rotterdamse scheepsbouwmeestersvereeniging en de vakbond van metaalbewerkers
Ik werkte in die tijd nog voor de Industriebond FNV en zocht in de bibliotheek van het toenmalige scholingscentrum Veluwe Oord naar wat meer informatie. Zo kreeg ik een boek in handen dat Heet voor de vuren. Een halve eeuw ontvoogdingsstrijd der Rotterdamse metaalbewerkers heette. Dat boek was geschreven door ene Jan Wacht. Wacht bleek eveneens regionaal vakbondsbestuurder in de Rotterdamse scheepsbouw te zijn geweest, zij het veel vroeger dan Bode. De werkgeefster van Jan Wacht was de afdeling Rotterdam van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond (ANMB), een sociaaldemocratische vakbond van metaalbewerkers. In zijn boek las ik dat De Metaalbond een landelijke organisatie van werkgevers in de metaalindustrie was. De Metaalbond Rotterdam waarover Bode schreef, was de afdeling Rotterdam van die landelijke werkgeversorganisatie. Jan Wacht wist veel te vertellen over die Rotterdamse afdeling. Hij schrijft dat de Rotterdamse metaalwerkgevers een heel kaartsysteem hadden aangelegd van alle arbeiders die ooit bij één van de aangesloten ondernemingen had gewerkt. Als een metaalbewerker solliciteerde bij een scheepswerf, werd van daaruit gebeld naar het afdelingskantoor van de Rotterdamse Metaalbond. Mocht die sollicitant bij zijn vorige werkgever ontslagen zijn, of aan een vakbondsactie hebben meegedaan, werd het dringende advies: ‘niet aannemen’!
Wacht beschrijft ook de oprichting van de rechtsvoorganger van de afdeling Rotterdam van De Metaalbond. Dat was de Scheepsbouwmeesters en Machinefabrikanten Vereeniging te Rotterdam e.o. Deze was opgericht in 1907 en bleek een werkgeversvereniging te zijn geweest die tot doel had om de belangen van de aangesloten scheepswerven, ‘te beschermen en te verdedigen tegen werklieden of vereenigingen van werklieden, die door staking of door andere middelen trachtten onnodig belemmerende voorwaarden aan de door de leden uitgeoefende bedrijven op te leggen’. Wacht lijkt ietwat jaloers als hij vertelt dat de werkgevers in de scheepsbouw vrijwel 100% georganiseerd waren.[1] Dat was iets waar de vakbonden alleen maar van konden dromen. Maar het verklaart wel waarom de directies van de scheepswerven zo’n machtig kartel tegenover de werknemers konden vormen. De arbeiders op de scheepswerven hadden simpelweg geen alternatief voor hun emplooi.
De dictatuur van de Westersingel
Veel meer was over de afdeling Rotterdam van De Metaalbond niet in de literatuur te vinden. Als ik meer wilde weten over deze opmerkelijke vereniging, moest ik de archieven in. En dat gold evenzeer voor hun tegenvoeters, de afdelingen van de metaalbewerkersbonden. Het archief van de Rotterdamse Metaalbond bleek te liggen in het Rotterdamse Stadsarchief, onder de niet helemaal adequate naam Vereniging Metaalindustrie Rotterdam. Daar lag tevens het archief van de Rotterdamsche Droogdok-Maatschappij, de RDM. Het archief van de vakbond ANMB was te vinden in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam
In de studiezaal van het Stadsarchief zag ik de uitdrukking ‘dictatuur van de Westersingel’ voor het eerst. Ik las die voor de eerste maal in een archiefstuk van de Rotterdamse afdeling van De Metaalbond. Deze door vakbondsbestuurders gemunte term, waaruit hun diepe frustratie over de onbuigzame houding van de Rotterdamse scheepsbouwdirecties blijkt, was tot grote verontwaardiging van de afdeling, ook te zijn gebezigd door het landelijk bestuur van De Metaalbond. Daardoor leerde ik direct dat de autocratische manier waarop de afdeling Rotterdam van De Metaalbond met haar werknemers en met de vakbonden omging, zelfs haar landelijke bentgenoten te ver ging. Voor het juiste begrip: de Rotterdamse Metaalbond was gehuisvest in een prachtige villa aan de Westersingel, nr. 101.
Het verhaal
Na bestudering van alle relevante periodieken en archiefstukken, heb ik me ertoe gezet om het verhaal te schrijven over de opkomst en de val van de dictatuur van de Westersingel. Dat verhaal ligt inmiddels in mijn hoofd en staat in concept op mijn computer.